De stormachtige groei van online werkplatforms houdt de gemoederen van iedereen behoorlijk bezig. Biedt de opkomst van platformwerk nieuwe kansen of wordt de markt van arbeidsbemiddeling overhoop gegooid, zoals Airbnb heeft gedaan met de hotelmarkt? Vandaag staat dit onderwerp op de agenda van de Vaste Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Aan de ene kant leveren platforms een positieve bijdrage aan de economie en de arbeidsmarkt. Ze brengen nieuwe bedrijvigheid en innovatie, zorgen voor meer werk, maken verborgen werk loonvormend en zorgen voor een laagdrempelige toegang tot werk.

Maar platformwerk roept ook vragen op over de juridische positie van platforms en platformwerkers.

Een deel van de platforms lijkt op uitzendbureaus in de zin dat ze zich bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeid en het bij elkaar brengen van vraag en aanbod. Ze vallen echter niet onder de WAADI, die bijvoorbeeld het vragen van een tegenprestatie van de werkende verbiedt en eisen oplegt aan de gelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidstijden.

Platformwerkers werken veelal ten onrechte als ‘zelfstandige’ aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt. Ze moeten vaak (in)direct betalen voor de dienstverlening van platforms en zijn vaak onverzekerd.

Ik ben ervan overtuigd dat platformwerk verbieden geen zin heeft. Het is er en zal verder groeien. Maar platformwerk mag geen Bermudadriehoek zijn, waarin rechten en plichten van werkenden en werkgevers verdwijnen.

Een (zelf)regulerend kader is gewenst. Een kader dat ruimte biedt om de dienstverlening van platforms verder te ontwikkelen en er tegelijk op toeziet dat essentiële spelregels worden vastgelegd. Bijvoorbeeld over een gelijk speelveld voor intermediairs en platformwerk en het voorkomen van schijnzelfstandigheid en concurrentie op loonkosten van platformwerkers. Maar ook over de eigendomsrechten van individuele data en de betrouwbaarheid en meeneembaarheid van de reputatiedata.

De opkomst van platformwerk versterkt wat mij betreft de behoefte aan het loskoppelen van sociale zekerheden en contractvorm. In die zin is regulering van platformwerk onderdeel van een grotere discussie over de noodzakelijke hervormingen op de arbeidsmarkt.

Directeur ABU (Algemene Bond Uitzendondernemingen)

Drs. J.H. (Jurriën) Koops is sinds 2014 directeur van de ABU. Hij is verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding aan de organisatie. Koops studeerde Algemene Economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en begon zijn carrière als beleidsadviseur bij CNV Bedrijvenbond. In 1999 maakte hij de overstap naar Start, waar hij werkzaam was als Senior consultant Business Development. In 2002 begon hij bij de ABU als coördinator Team Arbeidsvoorwaarden en Juridische Zaken. In 2009 werd hij benoemd tot adjunct-directeur en in 2012 tot directeur Sociale Zaken. Sinds 2014 is hij directeur van de ABU. Naast zijn reguliere werkzaamheden vervult hij diverse bestuurslidmaatschappen, zoals voorzitter STOOF (Stichting Opleiding & Ontwikkeling Flexbranche) en bestuurslid SNCU (Stichting Naleving CAO Uitzendkrachten) en hij is namens de ABU lid van de Eurociett Board.